Wie kan helpen?

18 februari, 2019

Wie kan helpen?

Kinderen die onveilig opgroeien, voelen zich vaak eenzaam. Ook als er al hulpverlening is in het gezin. Deze kinderen hebben door hun situatie vaak geleerd om lastige dingen in hun eentje op te lossen. Ze komen daardoor uit zichzelf lang niet altijd op het idee om iemand om hulp te vragen. Bovendien kan het ingewikkeld zijn voor deze kinderen om erop te vertrouwen dat er mensen zijn die (belangeloos) zullen helpen.

Juist voor deze kinderen is het belangrijk dat ze ervaren dat er (óók) mensen zijn waar je op kunt rekenen, die je willen helpen en je steunen. Ga daarom samen met het kind actief op zoek naar hulpbronnen. Hulpbronnen in het algemeen, maar ook in geval van specifieke situaties. Alleen al door erover te spreken kun je het kind ruimte en perspectief geven, in een situatie die vaak langdurig moeilijk is:

  • Hoe help je jezelf? Kinderen hebben allereerst zichzelf als hulpbron. Dat is (naast de boodschap dat ze niet alles alleen hoeven te doen) óók een grote kracht. En het is fijn als een kind weet dat hij op zichzelf kan vertrouwen. Zet samen op een rijtje wat een kind al doet als hij zich verdrietig, bang of alleen voelt. Wat zegt hij tegen zichzelf? Wat doet hij op zo’n moment? Wat helpt? Wat kan nog meer helpen?
  • Kun je iets anders gaan doen? Soms is het een goed idee om met iemand te praten. Soms kan dat niet (meteen) of heb je er geen zin in. Wat kun je dan doen om je minder rot te voelen? Noem zelf ook eens voorbeelden van hoe je afleiding zoekt als je verdrietig of bezorgd bent. Zo breng je het kind misschien op een idee én laat je zien dat ook jij het weleens moeilijk hebt, net als iedereen dus.
  • Wie wil je dat jou helpt? Bij wie voel je je fijn? Wie vertrouw je? Met wie zou je af en toe wel willen praten? Wie ken je die je kunt bellen als je hulp nodig hebt? Wie kan helpen als je een sterk iemand nodig hebt? Wie kan jou goed troosten? Wie kan mama helpen, zodat jij dat niet altijd hoeft te doen? Met wie kun jij af en toe iets gezelligs doen? Een tante, een buurvrouw, de meester op school, ouders van vriendjes?
  • Wie zijn ervoor om te helpen? Breng in kaart welke professionals bij het gezin betrokken zijn en neem met het kind door wat hij van deze mensen kan verwachten. Wie is er (ook) voor het kind? Met welke dingen kan hij naar de juf/ de dokter/ de jeugdhulpverlener/ de jeugdbeschermer/ de wijkagent/ de vertrouwenspersoon op school? En waarvoor kan hij terecht bij jou?
  • Wat kun je doen als er meer hulp nodig is? Of als je liever niet wilt praten met iemand die jouw ouders ook kent? Als het steeds maar niet beter wordt of na een tijdje weer slechter gaat, waar wil je dan dat het kind aanklopt? Als de nachtmerries niet overgaan: wie kan dan de juiste behandeling regelen? En voor als het kind anoniem wil praten: kent hij De Kindertelefoon? Wijs ook op eventuele andere sites waar het kind kan praten met een professional of met lotgenoten.

Elke situatie vraagt iets (of: iemand) anders. En naarmate de tijd vordert, kunnen dingen ook weer veranderen. Hulpverleners komen en gaan, contact met familieleden en vrienden kan veranderen of verdwijnen. Bespreek daarom met enige regelmaat met het kind hoe hij het redt, wie hem helpt en of dat genoeg is. Laat zien dat er mensen zijn op wie je kunt vertrouwen. En wees daar zelf een voorbeeld van!

Delen:

Plaats een reactie