En die hele kleintjes dan?

16 september, 2019

Peuters en kleuters, kun je daar eigenlijk wel mee praten over hun thuissituatie? Hoe zorg je ervoor dat je ze niet (nog meer) overstuur maakt? Zijn ze wel in staat om de informatie te geven waar je naar op zoek bent? En welke vragen kun je wel en niet stellen?

Hoe jonger het kind, hoe ingewikkelder veel professionals het vinden om in gesprek te gaan over (signalen van) onveiligheid in de thuissituatie. Jonge kinderen beschikken nog over minder taal en begrijpen veel minder van wat er allemaal speelt dan oudere kinderen.

Jonge kinderen zijn daardoor des te afhankelijker van ons als volwassenen om zich veilig te voelen. Wat mij betreft is het dus belangrijk om niet alleen over, maar ook mét deze jonkies te praten. Natuurlijk zijn dat niet dezelfde gesprekken als die je met oudere kinderen voert. Vijf tips om in je achterhoofd te houden:

  • Pas je gespreksdoel aan. Misschien kan het kind niet altijd letterlijk de informatie geven waar je op hoopt, maar kun je wel een indruk krijgen van hoe hij zijn situatie beleeft. Of kun je zijn gevoel van veiligheid vergroten door in simpele taal uit te leggen wat er gebeurt: ‘Mama moet even goed uitrusten. Jij mag nu met oma mee. Daar mag je logeren. Zullen we samen eens kijken welke knuffels je mee wilt nemen naar oma?’
  • Ga iets doen. Zitten en praten werkt voor de meeste peuters en kleuters niet zo goed en zeker niet zo lang. Samen iets doen, zoals kleuren, duplo bouwen of een ijsje eten werken vaak beter.  Ook kun je erover denken om speciale hulpmiddelen in te zetten in het gesprek. Bedenk ook dan altijd weer goed met welk doel je het betreffende middel inzet.
  • Stel gerichte open vragen. Open vragen (‘Hoe was het bij papa?’) kunnen lastig zijn voor jonge kinderen om te beantwoorden. Maar met alleen maar gesloten vragen stuur je het gesprek teveel. Probeer daarom gerichte open vragen te stellen (‘Wat heb je gedaan bij papa?’ ‘Wat was er leuk bij papa?’ ‘Wat vond je stom?’) en deze af te wisselen met gesloten vragen (‘Had je ook weer gevoetbald?’ ‘Moest je huilen?’ ‘Was je broertje daar ook bij?’).
  • Hou rekening met fantasie. In gesprekken met jonge kinderen kunnen fantasie en werkelijkheid zich snel afwisselen. Dat betekent niet dat je alles met een korrel zout moet nemen! Wel kun je er rekening mee houden. En ook bij het bedenken van oplossingen kan fantasie soms helpen! Zo hebben mijn kinderen een ‘tovermantel’, die hen ’s nachts beschermt tegen monsters en mummies. Dat wij die tovermantels daarnaast gebruiken als ochtendjas, maakt voor hen niet uit 😉
  • Na ‘opengooien’ altijd ‘toedekken’. Als je over verdrietige, angstige of ingewikkelde dingen hebt gepraat, is het belangrijk om het kind weer met een rustig gevoel achter te laten. Eindig een gesprekje over moeilijke dingen dus altijd met nog even spelen (liefst bewegen, zodat de spanning uit het lijf kan) en iets luchtigs.

Ook al kan het lastig zijn om in gesprek te komen met een (heel) jong kind, het is belangrijk om het altijd toch te proberen. Doordat je de tijd voor hem neemt, kun je ervoor zorgen dat een kind zich minder verloren voelt en laat je merken dat hij ertoe doet. Dat alleen al maakt een gesprek de moeite waard.

Meer lezen over praten met (hele) jonge kinderen over hun thuissituatie? In hoofdstuk 11 van het Praktijkboek praten met kinderen over kindermishandeling vind je nog veel meer informatie en voorbeelden.

Delen:

Plaats een reactie